OUDE LIEFDE

oude-liefde

‘Heer, mag ik hem nog even houden?‘ mompelde ze toen ze hem zag liggen in het bleek makende kunstlicht. Nauwelijks nog een schaduw van zichzelf. Als het koppie van een klein vogeltje rustte die eens zo krachtige kop in de veel te dikke kussens. Zijn ooit zo prachtige bos zwarte krullen was dun en onverzorgd en stak vaalgrijs nauwelijks af tegen het ziekenhuislaken. Geen kleur te bekennen op zijn ingevallen wangen. Zijn kunstgebit lag als stille getuige van zijn aftakeling in het glas op het nachtkastje naast het bed. Steeds vaker gingen zijn tanden uit; zijn mond was dikwijls kapot en pijnlijk ontstoken. Maar zo gauw als hij haar hakjes hoorde klikken in de lange, kale gang met zijn galmende akoestiek, wist hij niet hoe snel hij zijn gebit in zijn mond moet proppen.

Vandaag hoorde hij haar niet. En ze hoopte dat hij goed genoeg was om daar de pest over in te hebben. Het stalen bed leek veel te groot voor deze fragiele man. Zijn vermagerde armen, te ruim in hun vel, rustten breekbaar op het laken. Zijn knokige vingers waren als in gebed gevouwen. Waar zijn benen zouden moeten liggen, was het leeg. De deken was teruggeslagen en maakten zijn beide stompen pijnlijk zichtbaar onder het dunne weefsel. Er zal wel een nieuwe verpleegster zijn, dacht ze. De vaste meiden die hem verzorgen weten dat hij het haat als de gevolgen van zijn losbandige leven zo duidelijk waarneembaar zijn. Hij moet wel heel zwak zijn anders had hij de zuster vast uitgefoeterd, met een stem als van een bootwerker, het enige aan hem dat tot voor kort nauwelijks aan kracht leek te hebben ingeboet.

Voor ze verder liep, trok ze de deken los en drapeerde hem zo dat het leek of er nog wat onder lag. Toen ze zich over hem heen boog om hem te zoenen, trok ze voorzichtig één van de kussens onder zijn hoofd uit. Zijn dunne nek leek haast te knakken, zo hoog lagen ze opgetast. Domme meiden, dacht ze en vlinderzacht kuste ze de perkamenten huid van zijn wang.
‘Dag, lieverd.’
Hij mompelde wat. Het klonk slechts als een schim van de krachtige bas die in haar geheugen gegrift staat. Haar tranen stroomden toen ze zijn broze lichaam voorzichtig tegen zich aan drukte.
Met een snelle beweging veegde ze haar wangen droog.
‘Wat zie je er goed uit, knappert van me’, fluisterde ze in zijn oor.

Hij glimlachte met gesloten ogen. ‘Je hebt nooit goed kunnen liegen, meisje,’ klonk het nauwelijks verstaanbaar.

‘Heer, mag ik hem nog even houden?‘ bidt ze geluidloos in het zwartst van de nacht.
‘Even nog? Want aan wie kan ik mijn avonturen in geuren en kleuren vertellen of mijn streken grinnikend bekennen? Wie lacht om mijn nonsens en bespeelt stiekem mijn geweten? Ik geloof dat ik nog lang niet zonder hem kan. ’

Ze dwaalt af. In bidden was ze nooit zo goed. Haar gedachten gaan terug in de tijd. Ze aanbad hem. Kinderlijk onnozel probeerde ze hem te verleiden. Hij wees haar af, vond hun relatie niet gepast: ze was amper vijftien, zijn veertigste verjaardag naderde met rasse schreden. Op de dag dat ze zestien werd nam hij haar mee naar zijn huis. Ze is niet meer weg gegaan. Oneindig teder leerde hij haar alles wat over liefde te leren valt. Ze groeide en bloeide en hervond haar vertrouwen in de mensen. Maar de wereld viel over hem heen. Iedereen had een mening. Zonder uitzondering negatief. Hij verloor zijn familie, zijn vrienden en uiteindelijk zijn baan. Het leek hem niet te deren. Toch ging hij steeds meer drinken. Zij was zo jong nog en bagatelliseerde zijn pijn.

Op een dag was hij weg. Verdwenen in het niets. Naast het bed zijn huissleutel en een enveloppe met voldoende geld voor een half jaar huur. Ze was ontroostbaar, intens verdrietig. Maar het sleet en venijnig langzaam werd ze volwassen. Jaren had ze geen idee waar hij was en of hij ooit nog aan haar dacht. Tot ze hem weer tegenkwam.
‘Heer, mag ik hem nog even houden?‘ fluistert ze als ze zich realiseert dat ze eigenlijk in gebed was. ‘Niemand die me zo het gevoel kan geven dat ik van waarde ben. Geen mens die aan een half woord steeds genoeg had. Nooit was ik zo gelukkig als bij hem.’

Over drie uur kan ze weer naar hem toe. Ze huilt zichzelf in slaap.

‘Heer, mag ik hem nog even houden?‘ mompelt ze als ze hem ziet liggen in het bleek makende kunstlicht. Nauwelijks nog een schaduw van zichzelf.

***

Oude liefde verscheen eerder in Waar ik van wakker lig …(Schrijverspunt – sept. 2015)

***

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s